

|
Titi Zaadnoordijk; 'Het Dolhuis'
In de nu tientallen jaren die Titi Zaadnoordijk beeldend en schrijvend, gestaag, voort werkt is duidelijk geworden dat ze 'het werk' niet doet om een helder gemotiveerde conclusie over het gegeven onderwerp in een ideale vorm gestalte te geven, maar juist veel eerder in het werkproces de discipline zelf, onder haar handen, de vragen die zich in haar leven aandienen vorm te laten vinden. Het uiteindelijk werk is de neerslag van de dialoog met haar zelf; toch echter niet met zichzelf, waar ze binnen de discipline met veel overtuiging en krachtig stuurt. Ze stelt de vragen prominent, prangend; het veelal 'zoekende' van haar lijn is in de tekeningen en helemaal in de lino's sterk gestileerd. Het zijn tenslotte geen open vragen, maar vragen met een heldere ingang tot het te betreden gebied - de titels zijn eveneens zorgvuldig in taal 'doorgroefde' toevoegingen, sleutels, tot het onderwerp. Zonder op te letten zijn we, waarschijnlijk door haar suggestieve verwijzingen in de richting van de 'humor', al enige tijd voorbij gegaan aan haar wezenlijk gemeende zoektocht in het gebied van het al oude 'Ecce Homo' thema eigenlijk wordt daarmee haar serieus bezig zijn met het opgroeiend kind inhoudelijk alleen meer sterker. |
![]() ![]() ![]() |
overigens is het werk daarbij een spiegel
waarin ze de toeschouwer de vraag in zichzelf laat opkomen. Heviger
dan de platte vraag doet ze 'je' dan aan jezelf vragen: wat vind
ik van die vreemde ander?, en nog meer: wat doe ik de ander aan
met al de nodige of onnodige uitingsvormen die de beperkingen
in mij tot een oordeel doen komen. Titi's dolhuis-bewoners zijn daar mogelijk
terecht gekomen na een totale ontsporing, maar waarschijnlijker
is dat dat niet gebeurd is en ze er slechts dolen in opperste
vertwijfeling tegenover onze, de toeschouwers, verbanning van
hen. De smeekbede lijkt dan ook een vraag aan de anderen om vrijgelaten
te mogen, te kunnen worden. |
|