GRAFISCH KABINET van het FRIES GRAFISCH MUSEUM
14 augustus tot 25 september 2010
Vanaf 1988, het jaar waarin
ze afstudeerde aan de afdeling Estudo de Artes Plásticas
na Universidade de Brasil en zich vestigde als vrij beeldend
kunstenaar in Hamburg, werkt ze aan een ongeëvenaard poëtisch
en theatraal oeuvre dat we maar al te gemakkelijk typeren als
'Zuid-Amerikaans'.
Natuurlijk is Tita do Rêgo Silva (1959, Caxias - MA, Brasil)
in Brazilië geboren en opgegroeid; een Brazilië dat
zich met de andere Zuid-Amerikaanse landen in die tijd geheel
ontworstelt aan vele eeuwen van kolonialisme en neo-kolonialisme
om daarmee een ontdekkingsreis te ondernemen in de werkelijk
eigen geschiedenis, met naast de geweldige overvloed aan zeer
hoog ontwikkelde Indiaanse kulturen de smeltkroes van inheemse
en buitelandse invloeden met een levendige rijkdom aan volksgeloof
en een veelvoud van wonderlijke en directe uitdrukkingsvormen
daarvoor.
Een Brazilië overigens ook met een rijk bloeiende, in Nederland
vrijwel onbekende, traditie van prentkunst. Een deel daarvan
is bekend als 'Chapbooks' die hun intrede maakten in Brazilië
onder de missionarissen van het Iberisch-schiereiland. Ze waren
in de 16de en 17de eeuw zeer populair, in Portugal als "folhas
volantes", 'vliegende bladen' in Nederland te vergelijken
met de 'cents-prenten'. Deze kunstvorm raakte geheel ingebed
in de kultuur van het Braziliaans binnenland, met name Noord-Oost
Brazilië met de staten Pernambuco, Paraíba, Rio Grande
do Norte and Ceará, waar vele inwoners ongeletterd waren.
Van origine is het een religieuse kunstvorm die later werd opgepakt
door de chroniquers, in vroegste ontwikkeling gebaseerd op de
Europese Karel-legendes, zich uitbreidend naar fabels, moord
en doodslag in crime-passionel, om uiteindelijk grondig gebruikt
te worden in kranten voor de dagelijkse politieke werkelijkheid
(in Nederland is eigenlijk alleen de Mexicaanse kranten illustrator
Manuel Manilla beken geworden door zijn technisch direct op de
krantendrukkerij afgestemde loodblok-gravures). Op markten werden
ze aangeboden onder luide voordracht door de makers. Het genre
werd bekend onder de naam "literature de cordel" omdat
deze 'chapbooks' hangend aan een koord aan een paal gebonden
werden aangeboden.
Maar het is niet eenvoudigweg zo dat Tita daar zonder sturing
op meegedreven is; eerder juist is het zo dat zij naast inzicht
in de algemene waarden, ook overzicht had van de algemeen en
overal geldende inhoudelijke aspecten van de vertellingen en
de beelden van de grote wereld-kulturen, of de verschijningsvormen
van de geloven, die zo gemakkelijk bijgeloof of volksgeloof heten
wanneer ze vanuit een ander geloof worden beschouwd.
Het was dan ook geen toeval
dat ze, aanvankelijk gedreven door avontuurlijke nieuwsgierigheid,
Toeristiek ging studeren aan de UPIS, Brasil. Haar geheel reizende
leven daarop volgend is vòòr alles kenmerkend voor
haar wervelend-energieke zwerftocht, reizend van oprechte verbazing
naar oprechte verbazing, door de kulturen van alle volken die
de aarde bewonen; hun geestelijke wereld en de uitdrukkingsvormen
daarvan in verhalen, poezie en een veelvormige beelden.
Het is met die bagage waarmee ze na vijf jaar globetrotten een
studie in de kunsten begint; ironisch genoeg onmiddelijk, in
academische zin, gericht op de mainstream van de internationale
beeldende stromingen - zoals het kunstonderwijs overal ter wereld
nu eenmaal is.
Dat geeft haar wel een grondige kennis en vaardigheid in het
technisch-beeldend gebied van haar vak; even weg van haar persoonlijke
betrokkenheid.
De vrijwillige, door liefde gedreven, quasi-verbanning naar Hamburg
was een private sleutel tot de beeldende wereld die ze daar,
als het ware 'vrijgemaakt' van vooroordelen / mogelijk juist
zelfs geholpen door de daar plaatselijk positieve vooroordelen
tegenover het 'exotische', naar hartelust en als het ware los
van alles kon laten ontstaan. Een vrije, misschein zelfs wel
door zwoel heimwee gedreven maar in isolement krachtig ontwikkelde,
individuele beeldtaal die zo innemend is dat iedere toeschouwer
denkt er al mee bekend te zijn op eerste oogopslag, wat de toegankelijkheid
tot het eigenlijke verhaal bevordert.
Intussen is ze
internationaal gezien één van de meest vooraanstaande
boek- en prentkunstenaars en behoort haar werk tot de belangrijkste
stukken in internationale collecties; terwijl van meet af aan
de installaties (als in op het Aarhus-Festival en in de vaste
collectie van het Otto Flath Museum, Bad Segelberg) een belangrijk
uitdrukkingsmiddel voor haar zijn.

Haar prenten en boekrollen
laten zich lezen als friezen in piramiden. Inderdaad niet alleen
als de ons overbekende Egyptische, maar meer nog als de Zuid-Amerikaanse
Maya- en Inca-piramiden en tempels en de bij die cultuur behorende
boeken en boekrollen met godenverhalen. Die godenverhalen zijn,
en daarin zo herkenbaar in alle wereldkulturen, een poezie die
gemaakt door de mens de goden laat zien in al hun menselijke
waardig- en onwaardigheid. De menselijk/goddelijke kleinburgerlijkheid,
het misselijkmakend geweld evenals grootmoedigheid en egoïsme,
van onbaatzuchtigheid tot zachtmoedige liefde en wrede geilheid.
Zoals een hond vrijwel zonder wrede intentie of gelaatsuitdrukking
een haas of eend vangt en doodt, zo zijn haar volkse fantasie-wezens
niet direct in hun eigenlijke lichaamstaal en gelaatsuitdrukking
de expressie van hun complexere vertelling, maar zijn het de
verhoudingen van de verschillende met elkaar communicerende beeldelementen,
de ruimte daartussen - vorm en kleur -, die de vertelling maken.
Een heel bijzondere aandacht
is er voor de zelfstandigheid van de kleurexpressie. Als slechts
bij weinig kunstenaars is het palet van Tita do Rêgo Silva
compleet: van zwart tot wit via alle denkbare schakeringen van
alle denkbare kleuren, van warm tot koel; soms nadrukkelijk vaag
en vuil, soms nadrukkelijk scherp en helder, soms vanzelfsprekend
natuurlijk en speels, en dan soms volkomen vervreemdend en, haast
hinderlijk, bedacht - hoe dan ook steeds met de toets van de
schilder. In feite is het de vrije grafiek waarvan Dürer
spreekt wanneer hij zijn ideaal van de houtsnede, zo vaak misbruikt
voor ambachtelijke plaatjesmakerij, omschrijft als een kunst
van kunstenaars.

De tot beeld gemaakte wezens
zijn op geen enkele wijze ontleend aan een realiteit, ze verbeelden
een realiteit die uitstijgt boven hun eigenlijke waarde; het
gaat niet om de dingen, het gaat om het verhaal, de lezing. En
dat verhaal is het verhaal dat tot de meest menselijke gedachten
behoort, het is de poezie waaruit het volwaardig leven gewekt
wordt.
Zo is er (een van haar bekende kunstenaarsboeken) het verhaal
van Exu, de boodschapper tussen de mens en andere (soms bovennatuurlijke)
wezens, de wachter van de tempel, de bewaker van huis en stad,
aan wie vòòr alles aandacht en godengaven toekomen.
Hij is het die harmonie brengt in de verbindingen tussen de goddelijke
krachten; hij heeft alle karaktereigenschappen in zich verenigd.
Zoals hij ook alle materieële eigenschappen in zich verenigt:
zit hij op de bodem dan stoot hij zich aan het plafond, staat
hij op dan is hij zo hoog als het tapijt; de steen die hij gisteren
wierp treft hem morgen. Hij is Maandag, zijn kleuren zijn zwart
en evenzo rood, zijn symbool de drieëenheid, hij woont in
straten en deuren en zijn element is het vuur. Deze god van de
Chaos is wel het meest menselijke wezen dat de mens voor zichzelf
had kunnen schapen als God, en er is geen kultuur die hem niet
kent; al heet hij bij allen anders en zal hij in zijn eigenschappen
nadrukken hebben naar de behoeften van de betreffende kultuur
- en is voor iedereen de eigen God de enig ware.
Dat laatste is een even treurige
als schokkende realiteit die maar niet doordringen wil, en altijd
weer voeding geeft aan tegenstellingen die uit laaghartige afgunst
zijn ontstaan. Dit nu is het eigenlijke onderwerp van de kunst
van deze bijzondere kunstenares, die 'des mensen ijdelheid' op
een geheel klassieke wijze verbeeldt van geboorte tot memento
mori.
Het
grote belang van het werk van Tita do Rêgo Silva is haar niets afwijzende benadrukking van
de complexe veelvormigheid van het menselijke en daarmee de handreiking
tot ultime humaniteit - dat ze daarvoor o.a. erkenning kreeg
bij het Wereld Kultuur Forum in Sao Paulo spreekt voor zich en
dat in Europa vooral Duitsland met de traditie van H.A.P. Grieshaber
daarvoor grote waardering heeft is ook begrijpelijk; naast vele
solo-tentoonstellingen was er speciale aandacht voor haar werk
in het Gutenberg-jaar op de Frankfurter Buchmesse. Grote bekendheid
verwierf zij met haar "A balaiada en Caxias", een houtsnede-fries
in opdracht gemaakt voor de permanente opstelling in het gelijknamige
museum in Brazilië.
Nederland heeft bij deze een eigenlijk wat late primeur; de indruk
bestaat dat nieuwe, en dan vooral frisse hoogtepunten in de internationale
kunstwereld ons steeds meer voorbij gaan, wat voor de internationale
grafiek (en meer speciaal dan nog boekgrafiek) al tientallen
jaren het geval is.
|