|







|

2011 van 9 januari tot 11 januari
vrije grafiek en boek-illustratie;
monotypie, ets en lithografie
van
OLGA OKUNEVA
In 1994 verscheen een nieuwe
uitgave van een, nu geïllustreerde, bundel met novellen
en vertellingen, onder de titel
"Temnye Allei", uit 1943 ('Dark Avenues', 1949)
van de eerste Russische Nobelprijswinnaar (1933) voor de literatuur:
Ivan Alekseyevich Bunin (1870 - 1953),
met grafische kunst die de verhalen verluchten. Net als het stofomslag
en de vormgeving van de beplakking van de harde kaft aan het
boekblok van Olga Okuneva.
De keuze voor deze kunstenaar had niet beter kunnen zijn.
Het grondstatement dat gemaakt wordt door het spel van omslag
met platten, samen coulissen en toneelgordijnen vormend in een
perspectievische blik, geven een niet alleen mooie, maar vooral
waardige introductie van wat gaat komen binnen het boekblok:
de teksten van een meester-verteller en dichter Bunin; vriend
van Anton Chekov en Leo Tolstoy.
Wij kennen Bunin misschien het best in de vertaling van D.H.
Lawrence: "The Gentleman from San Francisco".
Zelf vertaalde Bunin onder andere H.W. Longfellow's beroemde
"The Song of Hiawatha" een monument van zijn tijd in
de westerse litteratuur, waarvoor hij de Pushkin prijs 1903 kreeg
van de Russische Academie, het instituut waartoe hij in 1909
gekozen werd als 'honorary fellow'.
De illustraties zijn voorts gemaakt in klassieke monotypie; een
slechts voor kunstenaars met een uitzonderlijk beeldende beheersing
en een zuiver tekentalent toegankelijke techniek, die op de volledige
beheersing van het handwerk aankomt en grijsnuanceringen toelaat
die in reproductie alleen door de lithografie benaderbaar zijn.
De, ten tijde van de genoemde
heruitgave in 1994, jonge vrije-kunstenares en boek-illustratrice
Olga Okuneva begint haar werkzaamheden in de tachtiger jaren
van de vorige eeuw.
Ze wordt in 1990 toegelaten tot de Vereniging van Russische Kunstenaars
en verwerft in 1998 de titel Eervol Russich Kunstenaar; ze heeft
met haar etsen, litho's en tekeningen (en later ook schilderijen)
tentoonstellingen over de gehele wereld.
Haar werk, de beeldende vertelling,
kenmerkt zich, in het kleurengamma van het fresco, door een fijnzinnige
afweging van perspectivisch versneden voorstellingen of deelvoorstellingen
(een techniek die ze zal uitbuiten) met iconografische elementen
en abstracte patronen in een sfeerbepalende, monumentale omgeving
of monumentaal landschap.
Ze werkt veelal in series onder een thema. Het thema, "Een
Wandeling in het Park", "Het Circus is gekomen"
of bij voorbeeld ook "The Attraction", geeft haar een
klassiek theatraal decor waartegen of waarin de persoonlijke
gebeurtenissen die plaatsgrijpen in het leven van de personages
kunnen worden geplaatst; een werkwijze waarbij de verteller veel
dieper kan doordringen tot de individuele drama's door de nuancering
van de schijnbaar onbetrokken omgeving z'n volle werking te laten
hebben in de relatie tot het gebeuren en de persoonlijke ervaring.
De pijn van een personage bij een rozenstruik is nu eenmaal anders
dan de pijn van iemand in een roeiboot. Hoe krachtiger de eigen
betekenis van de roos, danwel de roeiboot vormgegeven en dus
voelbaar gemaakt kan worden, hoe beteknisvoller de pijn van het
personage. Uiteraard betreft het de constructie van de raamvertelling,
waarbij de vertellersbetrokkenheid gemeten dient te worden aan
de hand van de kwaliteit van het overgebrachte inlevingsvermogen
in de totale situatie gerelateerd aan de functie die dit deel
van het kunstwerk heeft ten opzichte van het raamwerk waarin
het zich bevindt. De toeschouwer moet 'intreden' tot het gebied
waarin zich alles afspeelt. Ook zijn betrokkenheid wordt bemeten
door zijn inlevingsvermogen, zijn begrip voor de totale vertelling
ten opzichte van zijn eigen individuele wereld die een bepaalde
verhouding heeft tot de dagelijkse werkelijkheid. Het geheel
eist naast kennis van de vorm, ook wezenlijke eruditie.
Olga's werk betreft grafiek
die 'op de hand' beschouwd moet worden, ook al is het in vele
opzichten nadrukkelijk monumentaal. De monumentaliteit is in
de prent; is in de voorstelling, en speelt met de 'geschreven'
onderdelen van de prent.
Het is geen aan de wand waaraan hij wordt opgehangen overdraagbare
monumentaliteit, die de architectuur van een kamer vormgeeft,
zodat iemand's niets betekenende interieur status krijgt. Het
is de soort autonome grafiek die een eigen wereld schept waar
zij zich ook bevindt, en waarvoor de toeschouwer krachtig genoeg
moet zijn om de betekenis ervan toe te kunnen laten tot zijn
dagelijkse werkelijkheid, die daarmee pas dan verrijkt wordt.
Het is eigenzinnige kunst en geen allemans-versiering; ook al
oogt het bij eerste benadering bijna neutraal.
Die ogenschijnlijke neutraliteit is de openingszet van de meester-verteller:
"Het was een stille zomermorgen. De zon stond al vrij hoog
aan de heldere hemel, maar de velden schitterden nog van dauw;
uit de pas ontwaakte dalen kwam een geurig koeltje gewaaid en
.." etc. (uit "Roedin" van I.S. Toergenjew in
de vertaling van Karel van het Reve uitgeverij G.A. van Oorschot
/ Amsterdam 1955); het intense en geniale verhaal dat dan volgt
toont de mens in al zijn ongelooflijke hoedanigheden, om overigens
slechts deel te zijn van het universum dat Toergenjew in zijn
volledig oeuvre zal schetsen.
Olga Okuneva hoort in die traditie, heeft zich nooit met modieuse
overwegingen daarvan afgewend, maar heeft voor alles haar kunstenaarsziel
durven laten rijpen, met als terechte overweging dat een kunstenaar
met een waarachtige persoonlijkheid geen 'eigen stijl' moet zien
te krijgen of een aangeleerde stijl die bij de tijd lijkt te
horen onder de knie moet krijgen, maar gewoon zijn weg moet volgen,
omdat zijn of haar wezen het werk electrificeert en alles alleen
daaraan dienstig moet worden gesteld.
Het handwerk volgt het denken,
wanneer het denken superieur is.
Met dat kunstenaarschap werd
Olga Okuneva binnengezogen in een voor haar geweldig inspirerende
opdracht in India.
Het betrof de illustratie van het episch gedicht "Mahabharata".
Zichzelf geheel wegcijferend heeft ze zich gestort in de artistieke
werelden van de Indiaase beeldhouwkunst en tempel-architectuur,
in zijn natuurlijke omgeving. Met de bloemen en planten, de bomen,
de dieren en landschappen waarin de vertelling thuis is.
Ze heeft zichzelf daar een thuis gemaakt en dat thuis heeft haar
opgenomen met grote waardering.
Er volgde, onder veel bijval van kunstkritiek en persoonlijke
waardering uit een breed publiek, een tentoonstelling in het
Museum of Modern Art in Bhopal.
De daarop volgende 10 jaar werkte ze afwisselend in India en
Europa, terwijl ze zich langzaam ook liet zien als schrijver
van essays en novellen, die werden gepubliceerd in kranten en
tijdschriften.
En ze bleef tekenen, nu niet zozeer in de kaders van de druk-grafiek,
maar het tekenen in de traditie van de vrije tekenkunst, die
eerder gerekend wordt tot het gebied van de schilderkunst; een
schilderkunst die ze zo ook steeds meer als zelfstandig medium
ging hanteren.
In die gehele ontwikkeling
zullen we voortdurend, van begin tot heden in haar werk, de boom
als voorstelling, met vertakkingen naar alles en het al, tegenkomen;
de boom ook die haar innerlijk leidde tot series die weer, geheel
in Amsterdam, voor vaste voet zorgen.
Vaste voet, niet zozeer in/op een stukje internationale ruimte,
maar in de kern van haar wezen dat een helpende hand reikt aan
de vertelster, die er een vertrek en thuiskomst weet.
|