25
Jaar
Petit & Fritsen-
beiaard
in Dokkum
Over Dokkumer organisten en stadsbeiaardiers
Het is dit jaar - 2008 - 25 jaar geleden dat
de huidige beiaard van het stadhuis in Dokkum werd opgeleverd
door de 'Koninklijke Klokkengieters Petit & Fritsen'
uit Aarle-Rixtel.
Dit instrument met 47 klokken verving het uit 1955 daterende
spel van de klokkengieterij Van Bergen in Heiligerlee.
De beiaardgeschiedenis van Dokkum gaat terug tot vòòr
1615, maar er was ook een beiaardloze periode en wel van 1837
tot 1955 waarover hierna meer.
De beiaarden van 1955 en 1983
In 1938 komt bij de restauratie van het stadhuis de wens tot
een carillon weer naar voren. door de oorlogsdreiging en de bezetting
zou het tot 1954 duren voordat de plannen serieuze vormen aan
gingen nemen. Dokkum bestaat dan 1200 jaar en op initiatief van
de gemeenteraad wordt een comité uit de burgerij opgericht
om de jubilerende gemeente een carillon cadeau te doen: 'een
Geschenk aan Dokkum'. Op 2 juli 1955 wordt een nieuw spel van
37 klokken gegoten door Van Bergen uit Heiligerlee, ingespeeld
door de toenmalige directeur van de Belgische beiaardschool,
Gaston van den Bergh, en van de Nederlandse beiaardschool, Leen
't Hart. De laatste was tevens beiaardier in Rotterdam, Delft
en Amersfoort. Deze Van Bergen-beiaard klonk helaas teleurstellend,
of om de vroegere beiaardier Dirk Donker te citeren: 'Een oude
melkbus klinkt beter".
Begin jaren '80 werden er weer plannen voor
een nieuwe beiaard gemaakt en met name burgemeester Sybesma,
zelf organist, was hierbij de voortrekker. Binnen enkele maanden
was het benodigde geld bijeen en kon de opdracht verstrekt worden,
maar deze keer aan de Koninklijke Klokkengieterij Petit &
Fritsen uit Aarle-Rixtel. Op 30 september 1983 kon de nieuwe
beiaard worden ingespeeld door de Dordtse beiaardier en adviseur
Jaap van den Ende en Dirk Donker, organist en beiaardier van
de Martinikerk in Sneek. Het nieuwe spel met een 'kort octaaf'
in de bas op basis van C2. Met de mogelijkheid om het spel in
de laagte uit te breiden met vier tot acht lagere klokken, om
zo de basis van het instrument te verlagen, waardoor het een
zwaardere klank zou krijgen, werd alvast rekening gehouden. Inmiddels
zijn in 2004 een tweetal basklokken toegevoegd, deze klokken
zijn opgehangen tussen de stijlen van de koepel. Door deze uitbreiding
bestaat het carillon nu uit 49 klokken. Het instrument kenmerkt
zich door een lichte klank en is zeer geschikt voor het uitvoeren
van barokmuziek. Het klokkenspel mag zich rekenen tot de betere
instrumenten in Nederland.
'Wartaal' tussen 1615 en 1837
Maar laten we nog even verder teruggaan in
de geschiedenis. In 1614 blijken er nogal grote reparaties nodig
te zijn aan koepel en uurwerk van het stadhuis. Dan komt de vraag
op of voor het klokkenspel niet beter in een nieuwe koepel een
plaats gereserveerd zou kunnen worden. De magistraat vond van
wel en droeg Lammert Laurens 'urewerckmaeker en burger binnen
Leeuwarden' op het uurwerk uit de oude toren te halen. Hij zou
de nodige reparaties verrichten en daarbij een werk maken "dat
op klocken sal connen spelen, ten minste sestien in't getal".
Met andere woorden, het klokkenspel werd van een handspel voorzien.
Zoals op andere plaatsen toen ook wel gebruikelijk, waren veel
carillons toen alleen voorzien van een speeltrommel. Deze konden
enkel automatisch klinken, zoals de kleinere carillons van Franeker,
Harlingen en Drachten vandaag de dag nog. Aardig in de opdracht
aan meester Lammert is de bepaling dat de voor Dokkum bestemde
klokken in elk geval even zwaar zouden moeten zijn als die van
de Nieuwe Toren in de hoofdstad Leeuwarden. Zien we bij carillons
hetzelfde als bij orgels? Het wordt als statussymbool van een
stad gezien. Waarschijnlijk heeft Lammerts aangestuurd op het
gieten van een aantal nieuwe klokken want in 1615 krijgen de
gebroeders Jean en François Simon de opdracht 'te maken
veertien klocken tot een clokspel op het Raadhuistoorn, alle
van goeden toon ende goedt ende perfect accoordt'. De klokken
moesten dus afzonderlijk en tezamen in harmonie zijn. Of dit
ook het geval is geweest valt te betwijfelen. In de 18de eeuw
bezoekt ene Z.C. van Uffenbach de stad Dokkum en hij schrijft:
Dockum vonden wij grooter dan wij dachten en tamelijk net en
lief gebouwd. Op het stadhuis hangt een klokkenspel, dat echter
zo ellendig is, als ik nog nooit gehoord heb". Ongezouten
kritiek dus en hij zal ongetwijfeld dus ook andere instrumenten,
zoals het Hemonycarillon van de Martinitoren in Groningen hebben
gehoord. Het hield ook het gemeente bestuur bezig want in 1835
werd in een raadsvergadering gevraagd 'of niet zoude kunnen worden
beproefd om een ander klokkenspel te bekomen in plaats van het
thans aanwezige zeer gebrekkige'. Dat het spel inderdaad gebrekkig
was, blijkt wel uit de uitdrukking: 'Praten als het Dokkumer
klokkenspel", wat slaat op iemand die wartaal uitkraamt.
In 1837 worden de oude klokken verkocht en breekt er een klokkenloos
tijdperk van 138 jaar aan. Met de toon- en samenspelzuiverheid
was het op veel andere plaatsen niet anders gesteld. In de zeventiende
eeuw hadden naast Dokkum in Friesland alleen de steden Leeuwarden
en later ook Sneek een klokkenspel. Maar ook deze instrumenten
blonken allerminst uit in klankschoonheid. Om een idee te krijgen
hoe deze oude beiaarden moeten hebben geklonken, zou men de 'van
den Gheyn' beiaard in de speeltoren van monnickendam uit 1595
eens moeten beluisteren. In Friesland heeft
men zich een aantal eeuwen met minderwaardige instrumenten moeten
behelpen. Gelukkig is het tij nu gekeerd en vindt men er enkele
welluidende instrumenten (Dokkum, Sneek, Joure, Bolsward). Het
Dokkumer instrument neemt daarbij een zeer prominente plaats
in. Het klokkenspel laat zich automatisch ieder uur en voor de
halve uurslag horen met fragmenten van bekende klassieke of volkmelodieën.
Daarnasst is er de wekelijkse bespeling door de stadsbeiaardier
Auke de Boer op de vrijdagavond van 19.00 - 20.00 uur. In de
zomermaanden op de vrijdagavond worden recitals ook verzorgd
door gastbeiaardiers. Dit veelal in combinatie met de orgelbespeling
op het Helman/Flentrop orgel in de Grote of Martinuskerk om 20.00
uur. De huidige organist van de kerk is ook stadsbeiaardier in
Dokkum
Beiaardier en organist
De combinatie van beiaardier en organist kwam
vanaf de middeleeuwen tot in de twintigste eeuw veelvuldig voor.
In vele steden van ons land was de stadsorganist ook stadsbeiaardier
en daarnaast nog lid of leider van het Collegium Musicum. Daardoor
was men als stadsmuzikant enigermate verzekerd van een redelijk
en vast inkomen. In Leeuwarden is vanaf 1618 tot 1884 vrijwel
ononderbroken de functie van stadsbeiaardier gekoppeld geweest
met het organistschap van de Grote Kerk en hier komen we beroemde
namen tegen als Evert Haverkamp, later organist en beiaardier
van de Oude Kerk te Amsterdam, Egbertus E. Veltcamp en Reinoldus
Popma van Oevering, de eerste organist op het befaamde Müller-orgel.
De lijst gaat zo verder tot en met Johan Joost Willem Sartorius
in 1884. In dat jaar werd de Nieuwe Toren wegens bouwvalligheid
afgebroken. De klokken kregen, overigens pas in 1915, een plaats
in de koepel van het Leeuwarder stadhuis. Ook in Sneek en in
Dokkum zal deze combinatie van beide functies voorgekomen zijn.
Van Dokkum bestaat helaas geen volledige beiaardiers- organistenlijst.
Slechts een enkele naam is bekend, zoals Egbertus Ennius Veldcamps,
vanaf 1685 organist in Koudum en van 1692 tot 1694 organist en
klokkenist te Dokkum. Vervolgens solliciteerde hij naar Leeuwartden
(Jacobijnerkerk en Nieuwe Toren) om van 1702 tot 1722 dezelfde
functie in Alkmaar (Laurenskerk) uit te oefenen. Zoon Ennius
Egbertus trad in de voetsporen van zijn vader. Hij bekleedde
de dubbelfunctie in 's-Gravenhage. Zijn naam komen we tegen als
keurmeester van het Moreau-orgel in de Janskerk van Gouda. Jan
Goslinga was beiaardier tot het instrument in 1837 werd afgebroken.
Tegenwoordig is Auke de Boer naast beiaardier ook organist in
de Grote Kerk en is dus een oude traditie in ere hersteld. Ook
Dirk Donker is in Sneek stadsbeiaardier en organist van de Martinikerk.
Landelijk zijn er vele voorbeelden te geven. Een bekend voorbeeld
uit de 19e eeuw is Johannes Worp, organist en beiaardier van
de Martinikerk en -toren in Groningen. Worp was de opvolger van
de orgelbouwer Petrus van Oekelen (1792 - 1878) die overigens
als zestienjarige leeftijd als beiaardier van de Martinitoren
werd benoemd. Worp is bekend geworden door zijn psalmboek met
melodieën de psalmen en lof- en bedezangen. Vierstemmig
gezet met voor- en tussenspelen, voor orgel met of zonder pedaal,
piano of gemengd koor. Johannes Gijsbertus Bastiaans (1812 -
1875), componist van het geliefde 'De Heer is mijn Herder', was
vanaf 1858 stadsorganist en klokkenist van de Grote- of St. Bavokerk
in Haarlem.
De voorslag versteken
Naast het wekelijks één maal
of zelfs vaker bespelen van de beiaard tijdens de marktdagen,
moesten en moeten nu nog de beiaardiers op gezette tijden, 3
tot 6 keer per jaar, de voorslag versteken ofwel de speeltrommel
van melodieën voorzien. Dit versteken is het verzetten van
de 'noten' van de trommel zodat er weer een nieuwe melodie klinkt
voor de heel- of halfuursslag en de kwartieren. Daarnaast waren
zij 'klocksteller' en moesten zij het uurwerk 'bij de tijd' houden.
Hiervoor was, zoals in Groningen, een zonnewijzer op de toren
geplaatst. De mechanische tijd werd gecontroleerd door de zonnetijd.
De in 1633 benoemde Dokkumer beiaardier Abraham Willmszn. had
als kloksteller ook de taak er nauwlettend op toe te zien, zowel
bij dag als bij nacht, dat 'de stads klocken accordeeren na den
tijd'. Erg veel vertrouwen had het stadsbestuur niet in de kwaliteit
van de uurwerken, want de klokkensteller moest er voor zorgen
dat de klok van de grote toren altijd een klein beetje voor liep.
Te gek mocht het niet worden en hij werd met een stevige boete
bedreigd als 'men bevinde dat de klockken een groot quartier
van malkander of een half uur na den tijd komen te verschillen'.
Jan Helman, de maker van het Dokkumer orgel van 1688, was in
Groningen ook kloksteller van de Martinitoren. Er bestaat dus
duidelijk verband tussen orgel en carillon, beiaard of klokkenspel
en tussen organist en beiaardier.
 |
Geschreven door Auke de Boer, stadsbeiaardier
in Meppel en Groningen, op de Martini Toren en de Academietoren
van de Rijksuniversiteit bespeelt, en Dokkum, waar hij tevens
organist is aan de Grote of Matinus kerk voor de:"Friese
Orgelkrant 2008" |
 |
INDEX
|